Clara

Ieper van zijn schoonste kant (1500 - 1900)

In de 16de eeuw raakt kantwerken stilaan in de mode. Dat wordt een activiteit van meisjes en vrouwen die iets willen bijverdienen, hoe karig ook. Het Ieperse kant of spellewerk staat in de 19de eeuw even hoog aangeschreven als het Brugse. In de troebele jaren van de godsdienstoorlogen loopt Ieper leeg. Eind 16de eeuw wonen er nog minder dan 10.000 burgers, velen in armoede. Er is weinig werk, voedsel is schaars. In die tijd raakt kantwerk in de mode, in Vlaamse en ook Italiaanse steden. Veel Ieperse meisjes en vrouwen worden vaardige ‘speldenwerksters’ en verdienen zo wat bij. Later wordt in scholen en weldadigheidsinstellingen aandacht besteed aan het leren van het ambacht. Kantwerksters blijven tot eind 19de eeuw een vertrouwd beeld in de Ieperse straten en steegjes. Tot twaalf uur per dag zitten ze achter hun kussen de klosjes garen door elkaar te slaan. Hun werk verkopen ze voor een hongerloon aan kooplui. Zoals in Brugge groeit er rond het kantklossen een sociale werking met onderwijs, opvang en weldadigheidsprojecten. Instellingen trekken zich het lot van de (ongeschoolde) vrouwen en meisjes aan en proberen hun sociale situatie te verbeteren. In de 17de en 18de eeuw worden in Ieper vijf armemeisjesscholen opgericht.

In 1747 neemt Clara Francisca Van Zuytpeene Lamotte een vondeling in huis, die Charlotte Ieperleet wordt gedoopt. Clara geeft haar les in haar grote huis op de Kiekenmarkt, samen met andere arme kinderen uit de stad en ook van het platteland. Mede onder impuls van kanunnik Jan Bartholomeus Van Roo (1716–1797) groeit dit initiatief uit tot een armenschool, die later naar de Rijselstraat verhuist: het huidige Technisch Instituut Immaculata.

Ieperse kant